Helaas

Helaas“We hebben uw manuscript inmiddels kunnen beoordelen en ik moet u helaas meedelen dat deze uitgeverij voor dit werk geen commerciële mogelijkheden ziet.”

Het doet pijn. Een beetje.

Erger is het gevoel van hopeloosheid. Dat ik al die jaren voor niets heb geschreven. Dat dit de eerste is in een rij afwijzingen en dat ik ooit zal sterven zonder een boek gepubliceerd te hebben. Een oude vrouw met rimpels vol bittere frustratie.

Een procent

Dit was een van de meest prestigieuze uitgeverijen van Nederland, houd ik mezelf voor. Natuurlijk wordt minder dan een procent van de hen toegestuurde manuscripten uitgegeven. De kans dat ik daarbij zou zitten was zo klein. Ik had beter geen hoop kunnen hebben, om mezelf de teleurstelling te besparen.

Arrogant

‘Hoe kun je zo arrogant zijn om zelfs maar te hopen dat je de uitverkorene van de slushpile zou worden’, fluistert een duiveltje. ‘Je bent net iets beter dan middelmatig. Je verhaal is niet meer dan oké. Als het ooit al wordt uitgegeven, koopt behalve je familieleden, toch niemand het. En zelfs zij halen misschien slechts de illegale e-pub binnen.’

Nee, lekker voelt dit niet.

Er is een kleine troost.

Mijn manuscript ligt bij nóg een uitgeverij. Een die is gespecialiseerd in vrouwenthrillers. Zou het dit keer…?

 

 

Wachten

slushpile

 

Mijn boek ligt als het goed is nu bij de uitgeverij. Het grote wachten is begonnen. Zelfs toen ik op de bevalling van mijn oudste kind wachtte was ik minder gespannen. En mijn zoon kwam pas een week na de uitgerekende datum.

Ik hoefde niet naar de brievenbus om mijn manuscript te versturen. Ook zal mijn verhaal niet letterlijk op of in de slushpile liggen. Het was gewoon een kwestie van een mailtje versturen. Manuscript er als bijlage bij en klaar. Elke uitgeverij heeft daarvoor zijn eigen mores. Op de website zie je hoe je bij welke uitgeverij je boek kan aanbieden.

Trillende vingers

Met trillende vingers drukte ik op “send”. Vanaf nu zal ik bij elk telefoontje opveren, omdat ik hoop dat het de uitgever is, die mij persoonlijk wil feliciteren met dit briljante verhaal dat hij graag in zijn fonds wil. Bij elk nieuw mailtje scan ik aarzelend het onderwerp: een standaard afwijzing?

‘Helaas moet ik u meedelen, blablabla’. Ik weet niet of ik het kan, mijn boek afgewezen zien worden. Niet na bijna een decennium dromen van een bestseller. Zorgvuldig, woord voor woord, zin voor zin opbouwen van mijn verhaal.

Wat dat betreft is het boek mijn kindje. En wacht ik nu toch op de bevalling.

Klaar, af?

Mijn manuscript is klaarIneens besef ik me dat mijn boek af is. Ik wist wel dat ik bijna klaar was, maar toch komt het onverwacht, zo ergens aan het eind van hoofdstuk 3. Dat krijg je als je op het laatst nog stukjes verhaal toevoegt.

Wanneer is een manuscript helemaal af? Zelfs als ik chronologisch had geschreven, zou ik, na het zetten de laatste punt twijfelen of ik echt klaar was. Het is toch raar, na al die jaren schrijven en denken dat het me nooit zou lukken. Zou ik nu in een zwart gat vallen?

Af is een relatief begrip. Als ik het verhaal nu nog eens zou doorlezen, zou ik weer dingen vinden die ik wil toevoegen of wijzigen. Niet dat het niet goed is, maar er zijn meer mogelijkheden. Hoe weet ik of ik de beste gekozen heb?

meelezers

Het manuscript is nagekeken door een paar aandachtige meelezers. Die goede aanwijzingen hadden, variërend van simpele tikfoutjes, tot compleet nieuwe verhaallijnen. Zij zeiden dat het goed is. Publiceerbaar. Maar zij zijn vrienden en familie.

Zelf vind ik het goed. Beter dan ik ooit dacht te kunnen bedenken en schrijven. Maar dat is op goede momenten. Op hormonale dagen of andere momenten van onzekerheid durf ik het niet eens terug te lezen. In gedachten zie ik dan de redacteuren op de uitgeverij mijn manuscript grinnikend en bulderlachend van hand tot hand laten gaan.

50841

Ook zit ik een beetje met het aantal woorden. 50841 woorden, inclusief de titel en het dekblad. Dat is niet veel. Ik weet niet hoeveel woorden de gemiddelde thriller heeft, maar dat is vast meer dan vijftigduizend. Ik schrijf als journalist nu eenmaal heel compact. Is het te weinig? Moet ik het verhaal nog eens lezen en misschien meer beschrijvingen toevoegen? Ik hou zelf niet van paginalange schetsen van landschappen. Maar als lezers en dus uitgevers daar wel prijs op stellen, kan ik met mijn manuscript de open haard aansteken.

Oké, ik lees het nog een keertje door.

 

schrijven is zitten blijven

Ik voel me een trutDe eerste nacht in het kluizenaarshuisje op een bungalowpark, waar mijn besteller afgeschreven moet worden. Ik heb de wekker op half acht gezet. Als ik dan meteen ga ontbijten en douchen, kan ik om acht uur weer achter de computer zitten.

Mijn onderbewuste lijkt andere plannen te hebben, want als ik ’s ochtends even na negen wakker wordt, ontdek ik dat de wekker uit staat. Ik ontbijt, douche en kleed me aan en besef dan dat ik, net als thuis, erg graag wil weten wat er in de wereld gebeurt. Dus kijk ik ook nog even het journaal.

Ik vind mezelf een trut.

doden

Twee uur later dan gepland start ik mijn computer weer op en lees terug wat ik de vorige avond heb bereikt. Best veel, eigenlijk. Het geeft me moed om te doen wat ik al een heel tijd denk maar niet durf: het killen van een aantal darlings.

Toen ik net begonnen  was met het manuscript, had ik al een paar belangrijke scènes geschreven. Om in de sfeer van het verhaal te komen. Het zijn geen slechte scènes, maar ze passen niet meer in het verhaal. Ik knip er een in tweeën en verwijder een andere. Omdat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen de scène helemaal te doden, verban ik hem naar een apart documentje. Het grote verhaal voelt ineens veel logischer. Al doet het pijn om ruim elfduizend woorden,een kwart van wat ik al had, uit mijn verhaal kwijt te zijn.

Ik mag van mezelf even de cel verlaten voor een wandeling. Ik zie veel jonge gezinnen lopen op weg naar de speeltuin en het zwembad maar ik ben niet meer jaloers. Ik heb zowaar zin om verder te gaan.

De rest van de week slijt ik een olifantenpaadje in het laminaat, de televisie gaat tientallen keren aan en weer uit, maar ik houd vol. Schrijven is zitten blijven, zei de grote Kees van Kooten al. Een waarheid als een dikke vette koe.

sleutel

Als ik vrijdagochtend de sleutel van mijn kluizenaarshutje in het bungalowpark inlever, ben ik een heel stuk verder gekomen. De puzzelstukjes van mijn manuscript zijn op hun plaats gevallen, ik heb 11.718 woorden gewist en meer dan 20.000 woorden geschreven. Maar vooral heb ik geleerd dat mijn week kluizenaarschap vooral nodig was om te ontdekken dat schrijven simpelweg een kwestie is van achter je laptop blijven zitten. En dat kan ook best thuis.

En nu doorwerken

Linda schrijft een boekOm ongestoord aan mijn boek te kunnen werken heb ik mezelf een midweek lang opgesloten in een appartement in een bungalowpark. Zonder man en kinderen en zonder werk dat ligt te wachten. En zonder internetverbinding. Het enige dat ik deze vijf dagen ga doen is  aan mijn manuscript werken.

Dan is het moment daar. Het opstarten van de laptop. Ik type het wachtwoord in en als mijn vertrouwde dektop in beeld verschijnt, is het mijn eerste impuls om internet op te starten. Even Facebooken. Ik verstijf als ik me besef dat ik een hele week zonder internet zit. Alleen op mijn mobieltje, maar die is hier niet zo snel.

Een diepe zucht en dan klik ik mijn manuscript open. Ik heb het weken geleden voor het laatst open gehad. Ik vraag me nu af of ik wel een schrijver ben. Wat er staat is best aardig, als zeg ik het zelf, maar ik heb zó geen zin om in mijn verhaal te duiken. Het is zelfs zo erg, dat ik het verhaal weer sluit en naar mijn filmmontageprogramma ga. Ik blijk hier gewoon te kunnen werken. En er ligt nog een klein klusje dat volgende week af moet. Zal ik?

ijsberen

Ik spring overeind en begin aan mijn eerste ronde ijsberen in mijn zelfgeboekte cel. Er zullen er nog vele volgen. Met alle wilskracht die ik in me heb, versterkt door het enorme schuldgevoel richting man en moeder, neem ik weer plaats achter de computer.

Schrijven kreng!

Ik neem me voor alle losse notities die ik de afgelopen maanden verzameld heb in mijn verhaal te zetten. Dan ben ik in ieder geval bezig. Een voor een verhuizen de memoblaadjes, afgescheurde stukken papier en zelfs een kassabon met aantekening van de linkerkant van mijn bureau naar de rechterkant. Ik werk achter elkaar door en gooi ze in een keer, met een triomfantelijk gebaar in de vuilnisbak.

moed

Nu heb ik genoeg moed om verder te gaan. Thrillerschrijfster Marelle Boersma heeft mijn eerste hoofdstuk gelezen en van aantekeningen voorzien. En dat heeft ze erg goed gedaan. Zonder me het gevoel te geven dat ik een mislukking ben, wijst ze me op de dingen die zorgen dat het eerste hoofdstuk niet zo lekker loopt als ik bedoel. Omdat er in mijn verhaal twee tijden door elkaar lopen, raak ik af en toe in de war. Ook blijk ik te lijden aan een typisch journalistenkwaaltje: ik beschrijf de actie, zonder veel aandacht te besteden aan de gevoelens van de personages. Hoe beleven zij wat er gebeurt? Met de tips van Marelle knapt mijn eerste hoofdstuk zienderogen op en pas ik haar tips zelfs een paar keer toe in de rest van mijn verhaal.

Het is inmiddels bijna bedtijd. Ik zet nog even de tv aan. Vanavond ben ik zo ver opgeschoten, dat ik wel even “vrij” mag van mezelf.

Aan de slag

mijn zelfgeboekte celRare jongens die auteurs. Thomas Roosenboom met zijn konijn, Maarten ’t Hart met zijn damesjurken, Heleen van Rooijen met haar tietjes. Mijn tic is een onhandige, voor een werkende moeder met schrijfambities. Ik ben het type schrijvende kluizenaar.

Ik kan niet schrijven in het zolderkantoor waar ik als bedrijfsfilmer video’s monteer, met uitzicht op de wasmachine, de kampeerspullen en het oude speelgoed van de kinderen. Ik krijg geen letter op het scherm als ik over een paar uurtjes mijn gezicht weer op het schoolplein moet laten zien. Heel stom, maar als ik weet dat ik maar een paar uur tijd heb, ga ik die tijd besteden aan mijn professionele website, aan het archiveren van mijn filmpjes, of zelfs aan mijn administratie. Alles om maar niet dat geduldig wachtende document te hoeven openen.

ongestoord

Om ongestoord te kunnen schrijven moet ik me ook veel verder dan een klik van Facebook en Twitter bevinden. Liefst in de rimboe, waar ze nog nooit van social media hebben gehoord.  Ik ben al twee keer een weekendje zonder gezin in de Bed & Breakfast van mijn vader in België geweest. Verjaardagscadeau van mijn man en mijn vader. Gezellig. Maar niet heel rendabel wat betreft tijd. Het is in totaal bijna zes uur rijden om een paar uurtjes te schrijven. Want als ik daar ben, wil ik toch ook wel met mijn vader uit eten en komen er altijd wat buren langs om een handje te geven. Dus pak ik het deze keer rigoureuzer aan.

Ik heb een midweek geboekt in een appartementje op een groot bungalowpark in Zeeland. Helemaal alleen. Papa en opa en oma zorgen voor de kinderen. Ik voel me een egoïst als ik vertrek. En helemaal als ik op maandagmiddag bij de receptie van het park in de rij sta om in te checken. Om me heen zie ik alleen gezinnen met jonge kinderen en oudere echtparen. Ik ben jaloers en wil ook met mijn familie zwemmen, mosselen eten en wandelen langs het Grevelingenmeer.

opsluiten

Maar wie A zegt moet ook de rest van het alfabet in zijn laptop zetten. Dus sjouw ik mijn koffer mijn appartement in. Ik heb voor precies vijf dagen proviand bij me. In principe kan ik me de komende dagen opsluiten en doorschrijven tot ik erbij neerval. Ik richt minutieus mijn zelfgeboekte cel voor de komende dagen in. Je zou denken dat zoiets in een paar minuutjes gepiept is, maar ik blijk er bijna een uur over te kunnen doen om mijn tandenborstel, kleren, magnetronmaaltijden en aantekeningen op de juiste plek neer te leggen en alvast mijn bed op te maken. Hoezo uitstelgedrag?

Uitstelgedrag

Ik moet echt stoppen met procrastineren Acht jaar.

Zo lang ben ik al bezig aan Mijn Boek. Sinds ongeveer de helft van die tijd ben ik in het openbaar aspirant-auteur. Een jaar of vier geleden begon ik tegen meer mensen dan alleen mijn spiegelbeeld en een denkbeeldige Matthijs van Nieuwkerk te praten over mijn thriller. Begon ik hardop te dromen over mijn debuut als de opvolgster van Saskia Noort, Esther Verhoef, of, wel ja, Heleen van Rooijen.

Toen ik eenmaal aan mensen durfde te vertellen dat ik een thriller schreef en zelfs enkele hoofdstukken aan vrienden en familieleden liet lezen, dacht ik dat het nog maar en kwestie van maanden was voor mijn debuut in grote oplages in de boekhandels zou liggen. Inmiddels voel ik me het lachertje van mijn omgeving en krimp ik ineen als iemand maar het woord “boek” in de mond neemt.

drukdrukdruk

Ik werk als freelance journalist en heb een man en twee schoolgaande kinderen en ook nog een sociaal leven. Ik maak bedrijfsfilms en film evenementen als bruiloften en bedrijfsfeesten. Erg onregelmatig werk. Er zijn weken dat ik elke dag tot laat in de avond doorhaal en er zijn weken dat ik geen afspraken buiten de deur heb en ook mijn montagewerk af heb.

Hollen of stilstaan hoort bij het werken als freelancer. Je zou denken dat ik in de stilstaande weken tijd zat heb om aan mijn boek te werken. Maar ik heb een schrijfprobleem. Ik procrastineer. Procrastineren betekent uitstellen. Ik kan het weten, want ik het zo’n beetje uitgevonden. Als journalist is het vrij normaal om te zeggen dat je pas op dreef komt als de deadline in je nek hijgt. Als debuterend schrijver is dat niet zo’n handige tactiek.

faalangst

Er is namelijk geen deadline. Er zit geen eindredacteur te wachten om je schrijfsels na te kijken. Er zit helemaal niemand op je verhaal te wachten. Laatst sprak ik met een wijze dame die me vroeg waarom ik al acht jaar bezig ben aan een manuscript, waarvan ik hooguit acht weken daadwerkelijk heb zitten schrijven. Het bleek heel simpel te verklaren: faalangst. Dikke, vette faalangst. Zolang ik mijn manuscript niet opstuur naar een uitgeverij, kan ik ook geen afwijzing krijgen. En kan ik dus risicoloos dromen dat ik ooit een bestseller op mijn naam heb staan. En zolang mijn manuscript niet af is, kan ik het niet versturen. Het niet afmaken van het boek is dus veilig, maar ook frustrerend. Ik wil dat boek zo graag publiceren, dat ik er iedere dag aan denk. En op dagen met veel regen, PMS of onvriendelijke ontmoetingen, wil ik het zo graag dat het pijn doet. Tijd om aan de slag te gaan. Dat boek moet af.